|
|
|
Aconcagua – Klimgeschiedenis
Reizen & Vakanties
Deel uw Mening
Doorsturen
Printen
Cerro Aconcagua (6.959 meter) is de hoogste berg in zowel het zuidelijke als het westelijke halfrond en is tevens de hoogste berg buiten Azie. De naam komt uit de oorspronkelijke taal van het gebied, en komt misschien van het Inca woord 'Ackon Cahuak', wat zoveel betekent als Stenen Schildwacht. Deze spectaculaire berg bevind zich in het hart van de Andes.
De Inca Indianen begonnen nog voor Columbus Amerika ontdekte de Andes te verkennen. Ze werden door religieuze redenen naar de top getrokken; er zijn op verbazingwekkend hoge locaties opgravingen gedaan. De hoogste hiervan werd ontdekt op de top van de Llullailaco, een berg enkele honderden kilometers van Aconcagua. Het skelet van een lama werd gevonden op de kam die de noordelijke en de zuidelijke top verbind. Ook al is het onwaarschijnlijk dat het beest in zijn eentje naar die hoogte is geklommen, is er geen bewijs gevoinden dat de Inca's hiervoor verantwoordelijk waren. In 1985 werd op één van Aconcagua's buitenste toppen een mummy gevonden.
Echter, er is nog geen bewijs gevonden dat de Inca's de Aconcagua honderden jaren voor de eerste officiale beklimming beklommen hadden. Aconcagua werd het eerst beklommen in 1897, langs de noordwest zijde van de berg; dit werd gedaan door de Zwitserse berggids Matthias Zurbriggen. Deze route is nu de meest populaire manier om de berg te beklimmen en heet nu dan ook de 'Ruta Normal', oftewel de Normale Route. De extreme hoogte, de sterke wind en de lage temperaturen maken deze beklimming, of welke dan ook bij deze berg, erg lastig.
In 1934 werd voor het eerst een andere route gebruikt aan de oostelijke zijde van de berg. Dit werd gedaan door een Pools team. De Polen benaderden de berg via de Vacas en Relichos Valleien naar Plaza Argentina, en bereikten de top via wat nu bekend staat als de Poolse Gletsjer. In 1950 werd de aandacht gevestigd op de indrukwekkende zuidelijke wand. Deze zijde is zowel moeilijk als gevaarlijk, met steile, losse rotsen tussen ijswanden en gletsjers, bedolven onder sneeuw. Omdat de zuidelijke kant nauwelijks zon krijgt is hij vergelijkbaar met de noordelijke zijden van de bergen in de Alpen en de Himalaya. In 1954 zette een Franse expeditie, geleid door rene Ferlet, een kamp op, net onder de Zuidelijke wand. Na maanden van voorbereiding bereikten zes klimmers de top.
|
|
|